Binnen onze universiteit lopen heel wat docenten rond. Logisch, want zonder docenten immers geen onderwijs. Om de docenten te stimuleren en om unieke verdiensten en inzet te waarderen looft het College van Bestuur twee speciale, prestigieuze prijzen uit: de Docentenprijs en de Prijs “Jong Docententalent”. Jaarlijks krijgen studieverenigingen de mogelijkheid om per categorie een kandidaat aan te dragen.

Een docent komt in aanmerking voor de prijs als hij of zij in de context van de opleiding een buitengewone prestatie levert. Een creatieve, stimulerende en enthousiaste inzet van de docent wordt daarbij gewaardeerd. Ook moet de docent bijdragen aan vernieuwend onderwijs en goed bereikbaar zijn voor studenten. Eigenschappen dus, die verschillende docenten van Theater- Film en Televisiewetenschap bezitten. Vandaar dat AKT dit jaar hard bezig is geweest om een eigen TFT kandidaat voor te dragen. Al vrij snel was de keus gemaakt: onze kandidaat voor de Prijs “Jong Docentenprijs” 2008-2009 was niemand minder dan Sigrid Merx.


Sigrid Merx is verkozen tot Jong Docententalent 2008-2009

Sigrid is bij menig TFT-student bekend als docent van het beruchte vak Verbeeldingsprincipes/Mediavergelijking en geeft verschillende theatervakken. Daarnaast zit ze ook in de Opleidingscommissie van TFT en het ‘bacheloroverleg’. In haar studententijd was Sigrid al erg actief binnen AKT, maar ook als docent staat ze regelmatig nog voor de vereniging klaar.


Hieronder kun je het interview lezen dat we als onderdeel van de voordracht met Sigrid hadden. Voor meer informatie over de Docentenprijzen kun je hier terecht.


Je hebt in het bestuur van de opleiding gezeten, je bent cum laude afgestudeerd en hebt een rijkelijke ervaring in de theaterwereld. Lag het voor de hand dat je uiteindelijk zou les gaan geven aan de Universiteit of is het toevallig zo gelopen?

Dat ik ben gaan lesgeven is in ieder geval geen toeval geweest. Ik vermoed dat mijn zus en ik enigszins erfelijk belast zijn. Mijn vader is (een hele goede) gymleraar geweest. Mijn zus geeft nu les in het speciaal onderwijs en ik dus op de Universiteit. De voldoening en het plezier van het voor een groep staan en proberen om anderen te helpen grip te krijgen op voor hen nog onbekend terrein, is er bij mij altijd al geweest. Het verklaart waarom ik op mijn sportvereniging vanaf mijn vijftiende teams begon te trainen, waarom ik als dramadocent op verschillende middelbare scholen ging werken, waarom ik cursussen dramaturgie en creatief schrijven aan volwassenen gaf en natuurlijk, waarom ik op de Universiteit kwam te werken. Mijn behoefte aan de rol van de docent vloeit denk ik logisch voort uit het feit dat ik nog weet hoe fijn ik het vond om zelf in de rol van leerling of docent te verkeren. Nog altijd vind ik het een ongekende luxe wanneer een leraar, of dat nu mijn tennisleraar is, de fitnessinstructeur, of de vrouw die de workshop reanimatie verzorgt, mij iets probeert te leren. Dat iemand in jouw ontwikkeling investeert, dat heb ik altijd als heel bijzonder ervaren. Dat ik dat nu bij anderen mag doen, vind ik een groot voorrecht en soms, nee vaak, ben ik best jaloers op al die studenten in de collegebanken. Zat ik daar maar nog, denk ik dan. Dat ik uiteindelijk bij Theater-, film- en televisiewetenschap terecht ben gekomen en niet ergens anders, is tot op zekere hoogte inderdaad toevallig. Ik heb het in ieder geval niet bewust opgezocht. Ik werd eerder 'gevonden'. Ik had zelf TFTV gestudeerd en had besloten daarna nog door te gaan met een opleiding aan de Hogeschool voor de Kunst, Dramaschrijven. In die periode werd ik door een oud-docent van mij gevraagd om tijdelijk een cursus van hem over te nemen op de universiteit omdat hij voor een periode in het buitenland zou zijn. Ik voelde mij enorm gevleid dat hij juist mij daarvoor vroeg. Het vertrouwen dat hij in mij stelde, de potentie die hij in mij zag, dat heeft me enorm veel energie gegeven. Zeker omdat ik juist zijn onderwijs tijdens mijn opleiding als heel inspirerend en bijzonder uitdagend had ervaren. En eigenlijk ben ik daarna nooit meer weg gegaan. Dat bewuste vak geef ik nog steeds, nu samen met mijn oud-docent, inmiddels collega en er zijn al snel meerdere vakken bijgekomen. Sinds augustus van dit jaar heb ik een vast contract bij de Universiteit.


Wat heeft jouw ervaring als dramadocent op een middelbare school je geleerd?

Ik heb op verschillende middelbare scholen les gegeven, maar het meeste indruk op mij heeft toch wel de drie jaar gemaakt die ik op een VMBO school in Rotterdam Zuid heb gewerkt. Het was mijn eerste officiele kennismaking met onze multiculturele samenleving waar ik tot dan toe altijd de mond vol van had gehad, maar waar ik, realiseerde ik me daar, eigenlijk nooit zelf werkelijk deel van had uitgemaakt. Hoe vaak had ik nu met een Turk, een Marokkaan, een Antilliaan, een Kaapverdiaan,een Surinamer gesproken. Echt gesproken? Mijn leerlingen op Slinge wezen mij op mijn beperkte wereldbeeld en dwongen mij m'n horizon te verbreden.

Veel kinderen op die school hadden het thuis om allerlei redenen niet gemakkelijk. Zij woonden bijna allemaal in probleemwijken die tegenwoordig in prachtwijken moeten veranderen. Dit betekent dat ik van heel dichtbij heb gezien hoe zeer problemen thuis je studieprestaties kunnen beinvloeden. Ik heb daarom ook het volste begrip voor studenten die gedurende een periode niet zo kunnen presteren als ze eigenlijk zouden willen en kunnen. Zonder aan hen lagere eisen te stellen dan aan de rest, probeer ik altijd manieren te vinden om zo iemand toch in staat te stellen om een cursus met goed gevolg af te ronden.

Verder hebben mijn Rotterdam-Zuid leerlingen mij een hoop geleerd over communicatie. 'Mevrouw Merx, waarom praat u de hele tijd zo moeilijk?'. Het was een veelgehoorde klacht van leerlingen toen ik er net werkte. Ik, academisch geschoold, bediende mij van een vocabulaire waar de gemiddelde VMBO-er niets mee kon. Zij dwongen mij om hen op hun niveau aan te spreken. Ik deed mijn best om ingewikkelde dingen helder te brengen. Zonder in een soort van infantiele Jip en Janneke taal te vervallen en, heel belangrijk, zonder de inhoud geweld aan te doen. Want doe je dat, dan neem je je leerlingen niet serieus! Hen op hun niveau aanspreken, is overigens ook iets heel anders dan hen in hun 'eigen taal' toespreken. Ik had natuurlijk het klaslokaal binnen kunnen komen en zeggen 'fawaka, goed weekend gehad, iemand nog loesoe geweest in town?', maar als er iets belangrijk is voor een docent, dan is het dat hij of zij zich niet op het niveau van de leerling plaatst. Het tast zijn autoriteit aan. Bovendien prikten mijn leerlingen genadeloos door alle vormen van wannabe gedrag heen.

Tot op de dag van vandaag doe ik mijn best om zo helder en duidelijk mogelijk te praten over ingewikkelde onderwerpen. Om zaken tot de kern terug te brengen, behapbaar te maken voor de student. En ik probeer om mij niet te presenteren als 'een van hen', maar om wel vol overtuiging de rol van 'docent' op mij te nemen en in dat opzicht ook autoriteit uit te stralen. Iets anders wat ik aan mijn tijd als docent op een middelbare school heb overgehouden, is mijn voorkeur voor het werken met kleinere groepen. Nog altijd houd ik meer van werkcolleges waarin je directer contact heb met je studenten en zij nadrukkelijk inbreng hebben, dan van hoorcolleges waar het toch meer een one-woman-show is die je staat op te voeren. Ik probeer in mijn hoorcolleges dan ook altijd zoveel mogelijk interactieve momenten in te bouwen, waardoor studenten geboeid blijven en op hun eigen denken worden aangesproken. Mijn huidige favoriet is het zogenaamde "buzz" moment. Het idee is dat je door een provocerende stelling of vraag een "buzz" creeert. Je vraagt de studenten om met diegene die naast ze zit, kort te discussieren over die stelling of vraag. Twee minuten lang is de collegezaal dan gevuld met opgewonden discussierende stemmen en komt er direct een enorme energie kwijt. Na twee minuten vraag je om stilte - die opvallend genoeg ook altijd direct komt - en vraag je een paar reacties uit de zaal. Waar het normaal vaak angstwekkend stil bleef als ik een vraag stelde aan de studenten in de collegezaal, springen nu alle vingers direct in de lucht. Vaak kom je tot een interessante discussie, studenten ontdekken dat ze veel meer zinnigs te melden hebben dan ze zelf vaak denken en een groot voordeel is dat iedereen weer energie heeft om naar de rest van jouw verhaal te luisteren. Ik kan de 'buzz' echt aan iedereen aanraden.

Een ander aspect van mijn werk op de middelbare school dat ik koester, was de persoonlijke benadering. Ik werkte op een kleine middelbare school waar iedereen iedereen kende en waar leerlingen geen nummer waren. Tijdens docentenvergaderingen bespraken we van iedere leerling de vorderingen en de eventuele problemen. Die behoefte heb ik nog steeds, om met mijn collega's van gedachten te wisselen over studenten, met als doel natuurlijk om het maximale uit die student te kunnen halen. Dit ligt binnen de universiteit en in ieder geval binnen onze opleiding met zijn grote studentenaantal moeilijk. Daarom ben ik ook zo blij met onze Master Theaterwetenschap waar dit persoonlijke, kleinschalige onderwijs op maat veel beter uit de verf komt. In hoeverre komen jouw eigen ervaringen binnen de theaterwereld als dramaturg terug in je colleges?

Een dramaturg, in ieder geval zoals ik in het verleden de rol van dramaturg op me heb genomen, vervult een heel andere rol in het proces dan een docent. Een docent kun je toch meer vergelijken met de regisseur die direct contact met zijn acteurs heeft. Een dramaturg is meer op de achtergrond, kijkt kritisch, probeert het overzicht te bewaren en zoekt naar manieren om datgene wat hij ziet zo helder mogelijk te communiceren naar regisseur en acteurs. Als docent die verantwoordelijk is voor de voortgang van het proces tijdens een hoor- of werkcollege vind je eigenlijk nauwelijks de tijd om vanaf een afstandje kritisch te kijken hoe het proces verloopt.

Natuurlijk probeer ik als docent na afloop van colleges wel mijn eigen 'dramaturg' te zijn. Hoe ging het college? Wat was het effect van bepaalde keuzes die ik maakte? Was dat het effect dat ik beoogde? En zo probeer je steeds kritisch je eigen onderwijs aan te scherpen en weer dingen te verbeteren.

Een ander aspect wat misschien wel te maken heeft met mijn achtergrond als dramaturg is het enorme belang dat ik hecht aan een reflexieve houding bij studenten. Nog veel belangrijker dan kennis van zaken vind ik de vragen die studenten zich stellen bij deze kennis. Ik wil dat zij zich kritisch verhouden tot datgene wat hen aangereikt wordt. Ik wil dat zij dat wat hen geleerd wordt voortdurend toetsen aan hun eigen ervaringspraktijk, aan hun eigen visie op de wereld waarin ze leven. Ik denk dat het niet goed mogelijk is om onze opleiding te doen zonder jezelf en de wereld en de plek van jou in die wereld voortdurend te bevragen. En dat bevragen, dat is iets wat volgens mij een dramaturg ook bij uitstek doet.


Je bezoekt regelmatig het theater, in hoeverre neem je deze bezoeken mee in je lessen?

Op een heel voor de hand liggend niveau functioneren de voorstellingen die ik zelf heb gezien natuurlijk als voorbeelden in mijn onderwijs. Maar dat geldt niet alleen voor voorstellingen, maar ook voor films die ik heb gezien, boeken die ik heb gelezen of tentoonstellingen die ik heb bezocht. Ik heb een hele brede culturele interesse en mijn ervaringen zet ik graag in mijn colleges in om deze levendiger te maken en om bepaalde zaken te kunnen illustreren. Meer in algemene zin geloof ik dat het kijken en luisteren naar kunst mij aanzet om met andere ogen, vanuit een onverwachte hoek of perspectief naar de wereld om mij heen te kijken. Kunst helpt mij ook helderder te krijgen hoe ik zelf in de wereld sta. Met andere woorden, mijn ervaringen met kunst hebben mij mede gevormd tot wat ik nu ben en ook dat neem je mee je onderwijs in. Ik geloof heilig in het belang van kunst en cultuur voor mensen en in het belang om daarover met elkaar van gedachten te wisselen. Vandaar dat ik vorig jaar in het vak 'Theorie en analyse van theater en dans' voor eerstejaars steeds twee studenten vroeg om voor het volgende college aan de rest van de studenten te vertellen bij welke voorstelling, film of tentoonstelling zij recentelijk waren geweest en waarom volgens hen de anderen hier ook echt naar toe zou moeten.


Wat bij de studenten vaak opvalt is dat je de actualiteit gebruikt om de lessen begrijpelijker te maken. Zou je hiervan een voorbeeld kunnen noemen? Wat voor effect heeft dit op de studenten?

Ik ben een fervent krantlezer en een trouwe kijker van het journaal en op die manier probeer ik zo goed en zo kwaad als het kan om op de hoogte te blijven van wat er in de wereld speelt. Ik geef les over theater, televisie en film. Voorstellingen, tv-programma's en films zijn geen autonome, op zichzelfstaand objecten die los van de werkelijkheid bestaan. Zij reflecteren niet alleen de werkelijkheid die ons omringt, maar geven er mede vorm aan en daarmee ook aan ons. Wanneer je dus spreekt over theater, film en televisie spreek je ook altijd over de wereld waarin wij leven. Die relatie wil ik altijd graag duidelijk maken in mijn colleges. Dus wanneer ik college geef over televisie en we het erover hebben hoe tegenwoordig het alledaagse en het persoonlijke materiaal is geworden voor televisie, zoals blijkt uit de enorme hype van reality televisie waarin gewone mensen voor even beroemd worden (Big Brother, So you wannabe a popstar, Can't buy me love) of beroemde mensen stralend laten zien dat ze eigenlijk maar hele gewone mensen zijn (Jan Smit, Effe geen cent te makken) dan verwijs ik naar actuele televisieprogramma's waaruit dat blijkt en het liefst laat ik dan nog even een fragmentje zien. En als ik dan stel dat het persoonlijke en private in onze hedendaagse gemediatiseerde samenleving in toenemende mate publiek is geworden en wij de media bewust toelaten in ons leven en zelfs in ons lichaam (reality ziekenhuisprogramma's met operatiebeelden), dan ga ik natuurlijk op zoek naar een You Tube filmpje over de live darmspoeling van Patty Brard om deze als een voolopig dieptepunt van deze tendens te laten zien.

En de beruchte 'traan' van Hillary Clinton die haar tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne voor een moment terug in de race bracht, grijp ik bijvoorbeeld aan om met de studenten in discussie te gaan over de manier waarop beelden in de media concreet kunnen ingrijpen in politieke processen, maar ook om het te hebben over het complexe werkelijkheidseffect van televisie. Want is die 'traan' nu echt of niet? En maakt het uit of deze echt is of niet voor de realiteit van de gebeurtenis.

Studenten waarderen zulke actuele voorbeelden omdat het ze helpt om vaak abstracte theorievorming te concretiseren en zich er letterlijk een beeld bij te vormen. Ik geloof dat dit essentieel is om daadwerkelijk te leren. Je moet in staat zijn om datgene wat je aangereikt krijgt op een of andere manier aan je eigen ervarings- en belevingswereld te koppelen. Ik stimuleer studenten dan ook altijd om zelf concrete voorbeelden te verzinnen bij de theorie die ze moeten bestuderen en zich de stof op die manier toe te eigenen. Verder merk ik dat het betrekken van de actualiteit in het onderwijs studenten helpt zich te realiseren dat ons vakgebied zich midden in de actualiteit bevindt en dat het handvaten biedt om het over die actualiteit te hebben. Studenten vinden dat fijn. Waarom wil je graag een brug slaan tussen de praktische en theoretische kant van de opleidingen binnen cultuur en media, terwijl het binnen de Universiteit juist gebruikelijk is om de studenten vooral op de theorie te laten focussen?

Laat ik een ding vooropstellen, ik vind niet dat Theater-, film- en televisiewetenschap een hbo-opleiding moet worden. Je leert bij ons niet hoe je cameraman wordt, hoe je acteur wordt of hoe je regisseur wordt. Tegelijkertijd komt het merendeel van onze studenten straks terecht in een beroepspraktijk waar het te maken heeft met collega's die juist wel heel specifiek voor een kunstpraktijk zijn opgeleid. De TFTV-er is met zijn academische achtergrond een hele waardevolle aanvulling op die kunstpraktijk, maar loopt er tegelijkertijd tegenaan dat hij of zij vaak te weinig weet van de dynamiek van een creatief maakproces en ook van de manier waarop kunstenaars, makers communiceren in en over zo'n proces. Ik geloof niet dat het zin heeft wanneer je als opleiding probeert om dat creatieve proces binnen de muren van de opleiding na te bootsen. Ik vind het zelfs pretentieus om te denken dat we dat werkelijk goed zouden kunnen, het is immers onze expertise niet. Ik denk dat het veel belangrijker is dat de student zo snel mogelijk werkelijk in aanraking komt met het culturele en kunstzinnige veld zodat het de 'taal' kan leren spreken die daar gebruikelijk is, maar tegelijkertijd actief kan ontdekken wat hij als academicus aan het veld te bieden heeft en zijn positie in dat veld kan bepalen. Zo leert een student welke 'waarde' theorie en theorievorming heeft wanneer je deze in de praktijk inzet en, belangrijker, hoe je theorie in kunt zetten in de praktijk. Daarom is het van belang dat wij als opleiding zowel de samenwerking aangaan met het veld als met de HBO kunstopleidingen en vanuit die samenwerking interessante cursussen ontwikkelen die het karakter hebben van kleine onderzoeksprojecten. In onze Master Theaterwetenschap proberen wij dat eigenlijk in praktisch elke cursus te doen. We proberen ook in de niveau 3 cursussen van de BA steeds meer de koppeling tussen theorie en praktijk te maken, maar er is nog een lang weg te gaan.


Je bent binnen de opleiding zeer actief, je bent druk aan het nadenken over nieuwe cursussen, bent lid van de Onderwijscommissie en denkt kritisch na over het huidige onderwijs. Wat wil je binnen een aanzienlijke periode veranderen of verbeteren aan het onderwijs binnen Theater-, Film- en Televisiewetenschappen?

Voor een deel heb ik daar in de vorige vraag al antwoord op gegeven. Ik zou graag met name op het gebied van de niveau 3 vakken in de BA nadrukkelijker de samenwerking aan gaan met het beroepsveld, of dat nu een filmfestival is, of het Theater Instituut Nederland of een dansgezelschap, waarmee dan een (klein) gezamenlijk onderzoeksproject wordt ontwikkeld, waarin de student - middels de cursus - participeert, zodat hij gestimuleerd wordt zijn theoretische kennis om te zetten in waardevolle input voor de praktijk.

Dit punt hangt eigenlijk samen met een ander punt, namelijk dat van de werkvormen. Ik geloof dat wij een heleboel interessante cursussen aanbieden en daar zou ik dan ook niet zozeer iets aan willen veranderen, maar ik denk dat het hoog tijd is om op een creatievere wijze invulling te geven aan hoor- en werkcolleges. Gelukkig ben ik niet de enige die dat denkt en wordt er in groter verband binnen de opleiding nagedacht over manieren waarop dit kan. Docenten wisselen ervaringen met elkaar uit en inspireren elkaar op deze wijze. Je kunt studenten een paper laten schrijven, maar waarom laat je ze niet een special issue van een on-line tijdschrift maken. Zo worden ze gedwongen om met elkaar tot een weloverwogen voorstel voor een thema te komen, redactioneel commentaar te leveren op elkaars werk, zorg te dragen voor een goede vormgeving etcetera. Omdat het bovendien 'hun' tijdschrift is, is de betrokkenheid veel groter om er een succes van te maken, deadlines te halen, hoge eisen aan jezelf te stellen.

Zelf heb ik een cursus gegeven 'Theater en intermedialiteit' waarin een boek rondom dit thema centraal stond waaraan ik zelf had meegewerkt. Ik heb de cursus aangegrepen om de studenten kritisch te laten reflecteren op het boek. Zij schreven een boekrecensie, zoals die vaak in wetenschappelijke tijdschriften worden gepubliceerd. Naar aanleiding van die boekrecensie was de opdracht om met een gemotiveerd voorstel voor een vervolg op dit boek te komen. Als eindopdracht leverden de studenten een uitgebreide hoofdstukindeling voor het nieuwe boek in en ieder van de studenten (ze werkten in groepjes) leverde een content outline van een hoofdstuk aan. De kritische recensies van de studenten heb ik weer ingebracht in de internationale werkgroep waarmee ik het boek had gemaakt en waarmee we inmiddels aan een tweede boek waren begonnen te werken. Het feit dat hun inzichten serieus werden genomen, heeft de studenten enorm gestimuleerd. En wij als werkgroep hebben ons voordeel gedaan met hun kritiek en deze mee genomen in het proces. Ik geloof dat onderwijs idealiter ook zo werkt, dat je eigen studenten ook jou nog dingen te leren hebben.

Er bestaat overigens niet 1 antwoord op wat een inspirerende en effectieve werkvorm is, er is geen wetenschappelijke formule. Maar ik wil zelf in ieder geval blijven proberen om bij iedere cursus opnieuw mezelf af te vragen hoe je de cursus zo vorm kunt geven, dat deze studenten prikkelt en inspireert om zich op actieve wijze de inhoud van de cursus eigen te maken.